Zoals ook in andere landen is in België het huidige pensioensysteem een product van geschiedenis en omstandigheden. Ten tijde van de Belgische onafhankelijkheid was er een sterke stroming die aansluiting bij Frankrijk voorstond. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het Belgische systeem lang op dat van Frankrijk heeft geleken: een belangrijke, nationale eerste pijler en een tweede pijler in handen van verzekeraars en – in mindere mate dan in Frankrijk – gespecialiseerde financiële dienstverleners. Beleid naar aanleiding van de vergrijzing is die situatie langzaam aan het veranderen.
De pensioenen uit de eerste pijler zijn onderdeel van sociale zekerheid en worden onderscheiden in rustpensioen (te vergelijken met de Nederlandse AOW), overlevingspensioen (in Nederland de ANW) en arbeidsongeschiktheidspensioen (te vergelijken met de Nederlandse WAO en WAJONG). Het programma is een omslagstelsel, gefinancierd uit contributies en de algemene middelen van de overheid (gedeeltelijke fiscalisering). De uitkeringen zijn in principe gelijk voor iedereen, maar hoger voor ambtenaren en lager bij vroegpensioen. Gehuwden ontvangen minder dan alleenstaanden. De uitkering is afhankelijk van het aantal gewerkte jaren.
Door een aantal recente hervormingen is een goed begin gemaakt met een modernisering. Werkende vrouwen hebben een eigen statuut gekregen en zelfstandigen zijn in de eerste pijler opgenomen en hebben nu een status die vergelijkbaar is met looncontractanten. Gepensioneerden mogen wat meer bijverdienen zonder dat het hun pensioen aantast.
Toch is het eerste pijlerpensioen zonder beleidsveranderingen onhoudbaar vanwege de vergrijzing. In 2001 is het zilverfonds opgericht, wat tot doel had de overheidsschuld binnen de 60% grens van het stabiliteitspact te brengen. Het fonds zou tijdens de opbouw uitsluitend beleggen in Belgische staatsobligaties en gefinancierd worden uit het overheidsbudget en het overschot van de staat. Afgezien van enkele incidentele meevallers, zoals het leeghalen van het pensioenfonds van Belgacom, zijn grote betalingen echter achterwege gebleven, omdat de Belgische overheid geen overschot, maar een tekort boekte in de periode 2007-2009. Het is vrijwel onmogelijk dat het fonds zijn doelstelling bereikt in 2012, zodat het ook niet kan beginnen aan zijn tweede taak: het fungeren als een reserve voor de overbrugging van de pensioenkosten van de geboortegolf van na de tweede wereldoorlog.
Andere pijnpunten binnen de eerste pijler zijn het vroegpensioen en de pensioenleeftijd en de zogenaamde gelijkgestelde jaren. Dit zijn jaren waarin geen premie is betaald, maar die wel worden meegenomen in de berekening van het pensioen, bijvoorbeeld vanwege werkloosheid of ziekte. Deze verplichtingen vormen al meer dan een derde van het geheel en groeien nog steeds.
Aanvullende pensioenen worden opgebouwd per onderneming, bedrijfstak of door groepen van zelfstandigen. Deze kunnen verplicht of vrijwillig zijn en vormen onderdeel van de loonvorming via CAO, individuele arbeidsovereenkomst of sociaal statuut. Oppervlakkig gezien lijkt dat heel erg op de Nederlandse situatie, maar door accentverschillen is de situatie vaak nauwelijks vergelijkbaar.
De tweede pijler opnieuw uitvinden
Door de omvang van de eerste pijler en het ontbreken van de verplichtstelling, is de tweede pijler lang onderontwikkeld gebleven. Het geld (€13,3 miljard) was grotendeels in handen van verzekeraars en het aantal fondsen was klein. Rond 66% van de tweede pijler fondsen was gebaseerd op beschikbare uitkeringen , 9% was hybride en 25% beschikbare premies . De collectiviteit werd verder beperkt door een organisatie die niet aansloot bij de loonvorming en door medische keuringen.
De situatie is potentieel veranderd door de wet Vandenbroucke van 2003 (Wet op de Aanvullende Pensioenen – WAP, aangevuld met de WAPZ voor zelfstandigen in 2004). Deze wet heeft een aanvullend pensioen verplicht gesteld, met een invoeringstermijn tot 2007. De financiering wordt bepaald door de sociale partners en komt uit de loonruimte. Het bestuur van de fondsen moet worden gevormd door de paritaire comités, onderhandelingsgroepen per beroepsgroep en vaak per taal. De paritaire comités werken niet per onderneming. Daardoor kan het personeel van één onderneming door verschillende, soms vele sociale comités bestreken worden.
De paritaire comités hadden geen ervaring met het inrichten van een pensioenfonds, waardoor het fonds al snel werd uitbesteed, vooral aan Belgische banken en (onderlinge) verzekeraars. Daar kwam tegenstand bij van vakbondszijde, waar werd gevreesd voor uitholling van de eerste pijler. Het resultaat is dat er van de gehoopte democratisering van de tweede pijler niet veel terecht is gekomen; de tweede pijler leeft nauwelijks bij de gemiddelde Belg. Door de lange invoeringsperiode is er ook nog weinig geld beschikbaar voor een goed aanvullend pensioen, zodat de tweede pijler niet veel zal kunnen uithalen tegen het vergrijzingsprobleem van de eerste pijler. Een ander pijnpunt is dat de wet een rendementsgarantie eist. Hierdoor wordt de bewegingsvrijheid van de belegger gevoelig beperkt, wat ten nadele van het rendement werkt.
Kwijnende derde pijler
Ook van de derde pijler, vrijwillige, individuele pensioenverzekeringen is weinig hulp bij vergrijzing te verwachten. De fiscale aftrekmogelijkheden zijn nogal beperkt: €870 per jaar voor een pensioenspaarrekening en €1730 per jaar voor een individuele levensverzekering. Het zijn weinig populaire spaarvormen, voornamelijk omdat het geboden rendement, meestal rond 2,5%, nauwelijks boven de inflatie uit komt. Boven het rendement komt gewoonlijk nog een winstdeling, maar het vaststellen van de winst gebeurt op een manier die voor de verzekerde oncontroleerbaar is, wat wantrouwen oplevert. Ook voor deze contracten is een rendementsgarantie vereist, wil de premie aftrekbaar zijn.
Een andere karakteristiek van de derde pijler is dat de deelnemer bij pensionering gewoonlijk de keus wordt gelaten tussen uitkering van het pensioenkapitaal in één betaling of een lijfrente. Aangezien deze keuze fiscaal in het voordeel van een bedrag ineens uitvalt, neemt de gepensioneerde Belg gewoonlijk het lang-leven risico voor eigen rekening. Bovendien ontstaat een risico van slecht beheer van het pensioenkapitaal. Eenzelfde regeling was van toepassing op de tweede pijler, maar door de WAP is de keuze nu fiscaal neutraal.
Het zal duidelijk zijn dat de Belgische situatie een illustratie vormt van het samenhangen van risico en rendement: de rendementsgaranties werken tegen het rendement en daardoor de kwaliteit van het pensioen. Een andere les voor Nederland is dat de vergrijzing weliswaar grote kansen schept voor een uitbreiding van de tweede pijler, maar dat veranderingen heel goed gecommuniceerd moeten worden naar alle betrokkenen, vooral om duidelijk te maken dat ongewijzigd beleid geen optie is en dat de tweede pijler geen gratis concessie aan de werkgevers, maar een oplossing voor een echt probleem.