- Nieuwe staffels zijn netto dus zonder kostenopslagen en opslag premievrijstelling invaliditeit
- Aparte aanwijzing premie-kapitaal-overeenkomsten en premie-rente-overeenkomsten overbodig
- Introductie van 3% staffel voor bijzondere premieovereenkomsten
De staatssecretaris van Financiën heeft met het besluit van 21 december 2009 het staffelbesluit van 23 oktober 2007 geactualiseerd. Nieuw is dat hierin ‘netto staffels’ gepubliceerd worden, waarin geen kostenopslagen meer zijn verwerkt. Ook zijn enige aanwijzingen opgenomen van premie-rente- en premie-kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. Dit in verband met de invoering van de Pensioenwet met als reactie daarop de ontwikkeling van nieuwe pensioenvormen. De aanwijzingen gelden ook voor pensioenregelingen die niet onder de Pensioenwet vallen, zoals bijvoorbeeld regelingen voor dga’s. Het nieuwe besluit treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2007, de datum waarop de Pensioenwet van kracht werd. Voor bestaande beschikbare premieregelingen is een overgangsregeling getroffen.
De Pensioenwet onderscheidt met betrekking tot het karakter van een pensioenovereenkomst drie varianten:
- een uitkeringsovereenkomst;
- een kapitaalovereenkomst;
- een premieovereenkomst.
Bij de premieovereenkomst wordt nog onderscheid gemaakt tussen:
- de zuivere premieovereenkomst;
- de premieovereenkomst waarbij de premie wordt aangewend voor een gegarandeerd kapitaal;
- de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering.
Omdat premie-kapitaal-overeenkomsten en premie-rente-overeenkomsten naast elementen van een beschikbare premiestelsel ook elementen bevatten van een eindloon- of middelloonstelsel, worden deze regelingen volgens het besluit ook aangewezen. Ik vraag me af of dit voor de fiscale duiding nodig is. Immers volgens de Pensioenwet worden deze regelingen ook aangemerkt als premieovereenkomsten. In feite is de aanwending van de premie voor een kapitaal of een rente ook een soort belegging.
Volgens het besluit moeten premie-kapitaal-overeenkomsten en premie-rente-overeenkomsten primair getoetst worden aan de fiscale kaders van de beschikbare premieregeling in bijlage I. Na omzetting moet de regeling echter voldoen aan de voorwaarden van bijlage II respectievelijk bijlage III. Vervolgens wordt de aanwijzing voor premie-rente-overeenkomsten beperkt tot: “voor zover nodig”. De hier gebruikte formulering is op zijn zachts gezegd enigszins verwarrend. Waarom kan bij beide regelingen niet volstaan worden met de staffels en voorwaarden van bijlage I, zonder dat na omzetting van de premie in kapitaal of rente de regeling moet worden getoetst aan de voorwaarden van respectievelijk bijlage II en III?
Zuivere premieovereenkomsen
In de netto-staffels zijn de premiepercentages ontdaan van de kostenopslag (10%) en de opslag voor premievrijstelling bij invaliditeit (8%). De nieuwe percentages kunnen eenvoudig worden afgeleid van de premiepercentages uit het besluit van 2007. Dit kan door premiepercentages van het besluit 2007 te vermenigvuldigen met 0,92 en te delen door 1,1.
In bijlage I van het besluit zijn 3 tabellen opgenomen. Elke tabel bevat 4 staffels. Afgezien van de bepalingen met betrekking tot de netto-staffels zijn de voorwaarden en uitgangspunten van de staffels nagenoeg gelijk aan die in het besluit van 2007.
Opmerkelijk is dat het besluit van 23 oktober 2007 pas vervalt per 1 januari 2015. Bestaande regelingen moeten vóór 1 januari 2015 worden aangepast aan de netto-staffels van het nieuwe besluit. Hieruit kan worden opgemaakt dat tot 1 januari 2015 voor nieuwe regelingen of bestaande regelingen die worden verlengd nog de bruto-staffels kunnen worden toegepast. Deze regelingen moeten dan wel uiterlijk per 1 januari 2015 worden aangepast.
Verder blijft het overgangsrecht van de VPL-wetgeving van kracht. Voor werknemers die onder dit overgangsrecht vallen kunnen nog de staffels van het besluit van 28 april 2003 worden gebruikt.
Kapitaal- en premie-kapitaalovereenkomsten
Volgens de voorwaarden moet de regeling kwalificeren als kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst in de zin van artikel 10 Pensioenwet. De regeling moet dus een bepaling bevatten waaruit blijkt dat het te verzekeren kapitaal de pensioentoezegging is en dat de pensioenpremie wordt bepaald door het te verzekeren kapitaal. Deze voorwaarde is zonder meer toepasbaar bij kapitaalovereenkomsten. Bij premie-kapitaal-overeenkomsten is dit op grond van de Pensioenwet niet mogelijk. Waarschijnlijk wordt dit ook niet als zodanig bedoeld maar is de voorwaarde onzorgvuldig geformuleerd. De andere voorwaarden hebben met name betrekking op de berekening van het te verzekeren kapitaal en de hiervan afgeleide premies.
Het kapitaal moet worden berekend op basis van een nettorendement na de pensioendatum van ten minste 4%, een gezien de huidige marktomstandigheden hoog rendement. Partijen dienen bij de bepaling van kapitaal en premie rekening te houden met bijgeschreven winst. Dit kan leiden tot een premieverlaging. Een dergelijke verlaging kan alleen achterwege blijven als in de pensioenovereenkomst is opgenomen dat de overwaarde op de pensioendatum zoveel mogelijk wordt aangewend voor indexatie. Als op de pensioendatum ondanks de indexatie een overwaarde in de verzekering aanwezig is, ontvangt de werknemer het meerdere als een uitkering ineens. Het is opvallend dat bij dit onderdeel geen overgangsrecht is opgenomen. Dat houdt in dat voor deze vormen een terugwerkende kracht geldt tot 1 januari 2007. Als de wijziging van de pensioenovereenkomst met terugwerkende kracht inhoudt, dat de aanspraken afnemen, is dit strijdig met de bepalingen van de Pensioenwet.
Premie-rente-overeenkomsten
Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, worden fiscaal – 'voor zover nodig' - aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. De aanwijzing geldt indien de regeling in overeenstemming is met de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage III van het besluit en voor het overige voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB Wet LB.
Volgens de voorwaarden moet het hierbij gaan om een premieovereenkomst in de zin van de Pensioenwet. De beschikbare premie is ten hoogste gelijk aan de premie die bij de pensioenuitvoerder verschuldigd is voor de opbouw van een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB wet LB. Daarbij worden leeftijdsklassen aangehouden van ten hoogste van vijf jaar, die worden afgestemd op de gemiddelde leeftijd in die klasse.
Een met de pensioenverzekering behaald overrendement kan alleen worden aangewend voor de fiscaal maximaal toegestane indexatie. Als daarna nog overwaarde aanwezig is, vervalt deze aan de pensioenuitvoerder. Hier ontstaat een belangrijk verschil met de andere premieovereenkomsten. Immers bij die overeenkomsten is pas sprake van overwaarde bij een pensioen van meer dan 100% van het laatstgenoten pensioengevend loon en wordt een overschot uitgekeerd aan de werknemer. Mogelijk dat op grond hiervan partijen ook bij een premie-rente-overeenkomst aan willen sluiten bij de netto-staffel en de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage I. Wellicht is dit op grond van de zinsnede: ‘voor zover nodig” wel toegestaan.
Daarnaast moet in de pensioenovereenkomst worden opgenomen dat het pensioen inclusief de toegekende indexatie niet uitgaat boven een fiscaal maximaal geïndexeerd middelloonpensioen.
Dit betekent dat de pensioenuitvoerder voor elke deelnemer ook de maximale middelloon aanspraken moet administreren.
De premie kan volgens de voorwaarden ook worden bepaald op basis van een gelijkblijvende premie of een doorsneepremie. In dat geval moet in de pensioenovereenkomst worden opgenomen dat bij beëindiging van de deelneming de aanspraken worden bepaald op basis van het middelloonrecht en niet op basis van de beschikbaar gestelde premie. Dit heeft naar mijn mening gevolgen voor het karakter van de regeling. Als in de pensioenovereenkomst de aanspraken worden gedefinieerd als een recht op middelloonpensioen zal deze overeenkomst volgens de Pensioenwet worden getypeerd als uitkeringsovereenkomst.
Afwijkende premieovereenkomsten
In dit onderdeel van het besluit zijn bijzondere premieregelingen opgenomen. In het besluit worden twee voorbeelden genoemd. Daarbij gaat het om premieregelingen die zijn afgestemd op middelloonaanspraken. De beschikbare premie wordt op basis van de tarieven van de pensioenuitvoerder afgeleid van een in te kopen middelloonpensioen. Vaak zal de tariefsrente van de pensioenuitvoerder onder de 4% liggen.
Regelingen met een pensioenovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB worden aangewezen als pensioenregeling. Hiervoor geldt een netto-staffel met een rekenrente van 3 %.
Regelingen met een pensioenovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB, worden aangewezen als pensioenregeling. Deze regelingen moeten aan de voorwaarden voldoen die zijn opgenomen in bijlage V van het besluit. In deze voorwaarden worden rekenregels gegeven waarbij de beschikbare premie ten hoogste gelijk is aan de op basis van de berekeningsgrondslagen van de pensioenuitvoerder vast te stellen kostprijs van middelloonaanspraken.
Voor beide vormen van deze premieoverkomsten geldt dat restuitkeringen niet mogelijk zijn. De eventuele overwaarde die nog bestaat na de maximaal toegestane indexatie vervalt aan de pensioenuitvoerder.
Uitkering in beleggingseenheden
In het besluit van 23 oktober 2007 is al aangegeven dat een uitkering van pensioen in beleggingseenheden niet voldoet aan de wet. Dit geldt ook voor pensioenregelingen die niet onder de Pensioenwet vallen.
Op grond van het overgangsrecht kunnen uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 1 januari 2008 nog wel worden gedaan in beleggingseenheden, mits dit in de regeling is overeengekomen. Uitkeringen in euro’s – ook van vóór 2008 verworven aanspraken – kunnen niet meer worden omgezet in uitkeringen in beleggingseenheden.
Tenslotte is het een pré dat bij bepaalde premieovereenkomsten ook kan worden uitgegaan van een 3%-staffel. Voor zover de beschikbare premie wordt gebaseerd op een middelloonpensioen, kan afhankelijk van de tarieven van de pensioenuitvoerder worden uitgegaan van een andere staffel. Daardoor zal ook bij een premieovereenkomst makkelijker aansluiting kunnen worden verkregen bij een pensioen op middelloonniveau.
Bron: artikel P.P.M. Lavrijssen FB FFP, Fiscaal adviseur AEGON Adfis, Adviesgroep juridische en fiscale zaken, gepubliceerd in Pensioen & Praktijk
Artikel PP Staffelbesluit (pdf)
Download hier het besluit van 21 december 2009 (pdf)