skip to navigation

Pensioenvisie

Voorstellen IFRS-boekhoudregels pensioenen bedreigen Nederlands stelsel

and Share
  • FD Selections
  • vrijdag 28 mei 2010
hoeven_ter_ralph_rv_120x120Ralph ter Hoeven

Het staat prominent in het jaarverslag van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB): ‘boekhoudregels mogen ons pensioenstelsel niet bedreigen’. Een terechte stelling want boekhoudregels moeten neutraal zijn, dat wil zeggen: ze moeten registreren wat er gebeurt en niet ingrijpen in reële transacties tussen partijen. Neutraliteit is wat dat betreft een kwaliteitskenmerk van elke boekhoudstandaard. Het is interessant om in dit licht de onlangs voorgestelde aanpassingen in de internationale boekhoudstandaard (IAS 19) te bezien.

De voorstellen behelzen met name twee in het oog springende veranderingen. In de eerste plaats worden alle winstegalisatiemechanismen geëlimineerd. Daardoor is het niet meer mogelijk om mee- of tegenvallers in de ontwikkeling van het belegd pensioenvermogen respectievelijk de pensioenverplichting uit te stellen. De werkgever dient simpelweg het saldo tussen het belegd vermogen en de pensioenverplichting in zijn balans op te nemen. Een meevallend beleggingsrendement of de gevolgen van een verandering van de disconteringsvoet komen zo direct in de boeken van de werkgever terecht.

Presentatie pensioensaldo

Het tweede belangrijke voorstel betreft de presentatie van de veranderingen in het pensioensaldo. Deze moet in drie componenten worden uitgesplitst. De werkgever dient de kosten van de lopende pensioenopbouw (service cost) als operationele kosten te boeken. Onder de financieringskosten moet een rentelast of bate worden geboekt die op basis van het negatieve of positieve pensioensaldo wordt bepaald. En alle mee- of tegenvallers komen als bijzondere posten terecht in een speciale rubriek tussen de winst-en-verliesrekening en het eigen vermogen (other comprehensive income).

De meeste Nederlandse beursondernemingen maken momenteel gebruik van de winstegalisatiefaciliteiten van IAS 19. Hierdoor zijn de pensioenkosten redelijk stabiel en ook laag. Dit laatste omdat het verwachte rendement op het opgebouwde pensioenvermogen van de pensioenlast mag worden afgetrokken. Mijn indruk is dat de meeste ondernemingen juist dankzij de ingebouwde schokdempers wel kunnen leven met de uitkomst, ook al wordt de standaard als complex ervaren en ook al is de betaalde premie in de regel hoger dan de geboekte kosten. De volatiliteit is in ieder geval beperkt.

Belangrijkste kritiek

De belangrijkste kritiek op IAS 19 is en blijft dat deze niet geschreven is voor de Nederlandse pensioensituatie. De standaard veronderstelt dat werkgevers die een pensioen aan hun werknemers toezeggen het volledige risico dragen. En juist in de verdeling van de risico’s tussen werkgever en pensioenuitvoerder heeft het afgelopen decennium een aardverschuiving plaatsgevonden. Van een stelsel van goudgerande eindloonregelingen is massaal overgegaan naar voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregelingen en heeft de werkgever doorgaans zijn risico verder beperkt door het afspreken een maximaal premieniveau in de uitvoeringsovereenkomst. Ook is de communicatie over de onzekerheden rond de pensioentoezegging aanzienlijk verbeterd. Deze veranderingen in het Nederlands pensioenveld worden volledig door IAS 19 genegeerd hetgeen de zwakte van deze standaard illustreert.
 
Grote volatiliteit

Het afschaffen van de egalisatiemechanismen zal uiteraard voor een grote volatiliteit zorgen in de boeken van de werkgevers. Het eigen vermogen zou zo maar kunnen worden weggevaagd door een tegenvallend beleggingsrendement of een dalende rentevoet. Dit boekhoudkundige beeld van volledige integratie van het pensioenfonds in de jaarrekening van de werkgever, staat haaks op de sterk verminderde bij de werkgever achterblijvende risico’s. Waar de standaard prima past in landen waarin de pensioenuitvoerder slechts een verlengstuk is van de werkgever, schiet deze in Nederland met zijn zelfstandige uitvoerders zijn doel voorbij. Niet voor niets heeft de Nederlandse regelgever (RJ) vorig jaar al afscheid afgenomen van de IAS 19-benadering. In de Nederlandse standaard dient de werkgever te beoordelen welke restverplichtingen zij nog heeft aan de pensioenuitvoerder.  Zijn die er niet, dan mag de betaalde premie als last worden genomen.

Het gevaar is uiteraard dat de onderneming of zijn aandeelhouders van de IAS 19-volatiliteit af willen. De enige mogelijkheid hiervoor is dat wordt ingegrepen in de pensioencontracten zelf op zodanige wijze dat de werkgever alle risico’s overdraagt aan het fonds of de verzekeraar en overgaat tot het  betalen van vaste premies. Het zal duidelijk zijn dat de boekhoudstandaard dan niet neutraal uitwerkt in onze pensioenomgeving die, zoals bekend, al met genoeg uitdagingen te kampen heeft.

Naar een neutrale standaard

Het is zaak dat Nederland blijft ageren tegen deze voorstellen. Het belangrijkste is dat de IFRS-opsteller in plaats van het doen van tijdelijke zogenaamde verbetervoorstellen, de tijd neemt om de standaard fundamenteel te herzien en daarbij rekening houdt met de sterk verschillende pensioeninfrastructuren in deze wereld. Een wat mij betreft noodzakelijk stap op weg naar een neutrale standaard.

Prof. dr. R.L. ter Hoeven RA  is partner bij Deloitte, hoogleraar externe verslaggeving aan de Rijksuniversiteit Groningen en lid van de adviesgroep pensioenen van de IASB.

Reacties op dit artikel (1)

# H. J. de Vries
maandag 31 mei 2010 22:26
De heer Ter Hoeven waarschuwt voor de voorstellen voor nieuwe IFRS-boekhoudregels. Hij verwijst naar het jaarverslag van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen ‘boekhoudregels mogen ons pensioenstelsel niet bedreigen’. Mijns inziens verdedigt de heer Ter Hoeven wel erg eenzijdig de belangen van de werkgevers. Het zijn niet de boekhoudregels die het Nederlands pensioenstelsel bedreigen, maar de ontwikkelingen in het pensioenstelsel zelf.

We moeten even teruggaan in de tijd om ons te realiseren wat er is gebeurd. In de jaren tachtig keek allereerst de heer Lubbers en vervolgens in de jaren negentig de heer Kok en hun consorten met een begerig oog naar de vermogens van de pensioenfondsen en bereidden een wet voor om de fondsen af te romen. Deze Wet Heffing Vermogensoverschotten van Pensioenfondsen lag tien jaar klaar voor behandeling in het Parlement. De pensioenfondsen veranderden daarom van strategie. De werknemerspremies en bedrijfsbijdragen werden verlaagd en de fondsen gingen veel actiever en risicovoller beleggen. Pensioenfondsen die voorheen zekerheid boden werden via ‘moderne’ arbeidsvoorwaarden omgetoverd tot beleggingsvehikels, die zich stortten in het grootste casino van de wereld. Dat ging goed tot 2002. De koersen stortten in en veel werkgevers moesten fors bijstorten in hun pensioenfondsen.
De Pensioenwet werd aangenomen met de gedachte dat het systeem er weer tegen kon. Maar de Pensioenwet is een procedure wet. Het grote probleem met de Pensioenwet is dat de fundamentele aspecten niet zijn opgelost. Dat zijn zaken als bij wie de rechten liggen op de pensioengelden, het gebrek aan wettelijke bescherming van de pensioenen (met uitzondering van de ambtenaren en onderwijzers), geen registratie van de ingelegde gelden, onduidelijke verantwoordingsplicht en gebrek aan sanctiemogelijkheden tegenover bestuurders, vermogensbeheerders, etc. In plaats daarvan werd in de Pensioenwet een waslijst aan procedures opgenomen als professionalisering, trainingen, toezicht, visitatiecommissies, ALM-studies, etc. Jammer genoeg trekken de beurskoersen zich niets aan van een visitatiecommissie, noch van de ‘deskundigheid’ van adviseurs en vermogenbeheerders. Aangezien de beurs voornamelijk door professionals wordt beheerst zit gemiddeld 50% van die professionals er immers ook naast.

De heer ter Hoeven spreekt van een aardverschuiving in de verdeling van de risico’s tussen werkgever en pensioenuitvoerder in het afgelopen decennium. Maar deze aardverschuiving was geen natuurcatastrofe, zij kwam niet vanzelf. Zij was ook niet ingegeven door de gepensioneerden, noch door de deelnemers, maar uitsluitend door de werkgevers. Het waren natuurlijk de werkgevers die direct profiteerden van hun, door de beurswinsten bij de fondsen mogelijk gemaakte, lagere pensioenbijdragen. Dat leverde een gemakkelijke winst, dikkere auto en vettere bonus op. Dit alles is mede gebeurd via organen als de SER, waarin de financiële sector (banken en verzekeraars) een dominante rol speelt. De vakbeweging heeft, vermoedelijk door het vooruitzicht op leuke banen in die financiële sector, van harte meegewerkt. De eigen belangen wegen klaarblijkelijk zwaarder dan de belangen van de leden. Die lagere werkgeversbijdragen zijn op grond van internationale concurrentie ook helemaal niet nodig. Blijkens OESO statistieken zijn de werkgeversbijdragen in Nederland zelfs aan de lage kant.

Het gaat ook niet om belangen. Bij de gepensioneerden gaat het om opgebouwde rechten. Op hun ingelegde geleden rust immers volgens het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) hun eigendomrecht.

Het is de door de heer Ter Hoeven geconstateerde aardverschuiving geweest die maakt dat nu continu de situatie in de fondsen in de aandacht is, dat gepensioneerden en deelnemers continu in onzekerheid zitten.
De nu voorgestelde wijzigingen in de boekhoudregels hebben vooral een eenmalige uitwerking. Zij zijn voor veel bedrijven misschien even een zure appel om door te bijten. Zij zijn echter niet concurrentievervalsend. De standaard veronderstelt zoals de heer Ter Hoeven terecht stelt dat de werkgevers het volledige risico dragen. Dat is voor hen misschien niet leuk. Maar de huidige situatie, waarin niemand daadwerkelijk verantwoordelijk en aansprakelijk is en de risico’s eenzijdig worden gelegd bij gepensioneerden en deelnemers, is helemaal onverantwoord en strijdig met het gedwongen karakter van de afdracht van de bijdragen. Het is het pensioenstelsel dat zichzelf bedreigt. Het verwijt naar de boekhoudregels is als het verwijten van de boodschapper van slecht nieuws.

Als het Nederlands pensioenstelsel zo zwak is dat deze voorstellen het zouden bedreigen, dan moet Nederland toch maar eens overwegen of haar systeem niet integraal moet veranderen. Dat kan door de AOW en de bedrijfspensioenen te combineren tot een wettelijk pensioen onder garantie van de staat. Dan is het hele parasitaire leger van pensioenadviseurs, verzekeraars die alleen woekerpolissen aanbieden, vermogenbeheerders (liefst vooral uit verre oorden), zichzelf verrijkende bestuurders, excessieve kosten, etcetera meteen overbodig. Deze mensen kunnen dan gewoon een nuttig beroep gaan uitoefenen. Misschien iets als stratenmaker, dan hoeven ze zelfs niet tot hun 66ste of 67ste door te gaan. Van mensen die leven van de problemen mogen we natuurlijk ook helemaal geen oplossing verwachten.

De macrocijfers over de premies en uitgaven voor AOW en bedrijfspensioenen laten zien dat een wettelijk omslagsysteem direct kan worden ingevoerd. Via de Wfsv komt per jaar 35 miljard euro binnen en aan AOW wordt 26 miljard uitbetaald. Die 9 miljard euro worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor ze waren/zijn betaald, zoals de Algemene Rekenkamer heeft aangetoond. Voor de bedrijfspensioenen komt 25 miljard binnen en wordt 20 miljard uitbetaald. Samen is er dus 14 miljard over. De kapitalen in de pensioenfondsen hoeven dus helemaal niet te worden aangesproken en kunnen dienen als Nationale Pensioen Reserve, ver van alle aasgieren uit binnen- en buitenland. Vakbonden en werkgevers kunnen moeilijk tegen dit voorstel zijn. Op deze manier worden de voordelen van een wettelijk omslagsysteem gecombineerd met een grote financiële reserve.