maandag 31 mei 2010 22:26
De heer Ter Hoeven waarschuwt voor de voorstellen voor nieuwe IFRS-boekhoudregels. Hij verwijst naar het jaarverslag van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen ‘boekhoudregels mogen ons pensioenstelsel niet bedreigen’. Mijns inziens verdedigt de heer Ter Hoeven wel erg eenzijdig de belangen van de werkgevers. Het zijn niet de boekhoudregels die het Nederlands pensioenstelsel bedreigen, maar de ontwikkelingen in het pensioenstelsel zelf.
We moeten even teruggaan in de tijd om ons te realiseren wat er is gebeurd. In de jaren tachtig keek allereerst de heer Lubbers en vervolgens in de jaren negentig de heer Kok en hun consorten met een begerig oog naar de vermogens van de pensioenfondsen en bereidden een wet voor om de fondsen af te romen. Deze Wet Heffing Vermogensoverschotten van Pensioenfondsen lag tien jaar klaar voor behandeling in het Parlement. De pensioenfondsen veranderden daarom van strategie. De werknemerspremies en bedrijfsbijdragen werden verlaagd en de fondsen gingen veel actiever en risicovoller beleggen. Pensioenfondsen die voorheen zekerheid boden werden via ‘moderne’ arbeidsvoorwaarden omgetoverd tot beleggingsvehikels, die zich stortten in het grootste casino van de wereld. Dat ging goed tot 2002. De koersen stortten in en veel werkgevers moesten fors bijstorten in hun pensioenfondsen.
De Pensioenwet werd aangenomen met de gedachte dat het systeem er weer tegen kon. Maar de Pensioenwet is een procedure wet. Het grote probleem met de Pensioenwet is dat de fundamentele aspecten niet zijn opgelost. Dat zijn zaken als bij wie de rechten liggen op de pensioengelden, het gebrek aan wettelijke bescherming van de pensioenen (met uitzondering van de ambtenaren en onderwijzers), geen registratie van de ingelegde gelden, onduidelijke verantwoordingsplicht en gebrek aan sanctiemogelijkheden tegenover bestuurders, vermogensbeheerders, etc. In plaats daarvan werd in de Pensioenwet een waslijst aan procedures opgenomen als professionalisering, trainingen, toezicht, visitatiecommissies, ALM-studies, etc. Jammer genoeg trekken de beurskoersen zich niets aan van een visitatiecommissie, noch van de ‘deskundigheid’ van adviseurs en vermogenbeheerders. Aangezien de beurs voornamelijk door professionals wordt beheerst zit gemiddeld 50% van die professionals er immers ook naast.
De heer ter Hoeven spreekt van een aardverschuiving in de verdeling van de risico’s tussen werkgever en pensioenuitvoerder in het afgelopen decennium. Maar deze aardverschuiving was geen natuurcatastrofe, zij kwam niet vanzelf. Zij was ook niet ingegeven door de gepensioneerden, noch door de deelnemers, maar uitsluitend door de werkgevers. Het waren natuurlijk de werkgevers die direct profiteerden van hun, door de beurswinsten bij de fondsen mogelijk gemaakte, lagere pensioenbijdragen. Dat leverde een gemakkelijke winst, dikkere auto en vettere bonus op. Dit alles is mede gebeurd via organen als de SER, waarin de financiële sector (banken en verzekeraars) een dominante rol speelt. De vakbeweging heeft, vermoedelijk door het vooruitzicht op leuke banen in die financiële sector, van harte meegewerkt. De eigen belangen wegen klaarblijkelijk zwaarder dan de belangen van de leden. Die lagere werkgeversbijdragen zijn op grond van internationale concurrentie ook helemaal niet nodig. Blijkens OESO statistieken zijn de werkgeversbijdragen in Nederland zelfs aan de lage kant.
Het gaat ook niet om belangen. Bij de gepensioneerden gaat het om opgebouwde rechten. Op hun ingelegde geleden rust immers volgens het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) hun eigendomrecht.
Het is de door de heer Ter Hoeven geconstateerde aardverschuiving geweest die maakt dat nu continu de situatie in de fondsen in de aandacht is, dat gepensioneerden en deelnemers continu in onzekerheid zitten.
De nu voorgestelde wijzigingen in de boekhoudregels hebben vooral een eenmalige uitwerking. Zij zijn voor veel bedrijven misschien even een zure appel om door te bijten. Zij zijn echter niet concurrentievervalsend. De standaard veronderstelt zoals de heer Ter Hoeven terecht stelt dat de werkgevers het volledige risico dragen. Dat is voor hen misschien niet leuk. Maar de huidige situatie, waarin niemand daadwerkelijk verantwoordelijk en aansprakelijk is en de risico’s eenzijdig worden gelegd bij gepensioneerden en deelnemers, is helemaal onverantwoord en strijdig met het gedwongen karakter van de afdracht van de bijdragen. Het is het pensioenstelsel dat zichzelf bedreigt. Het verwijt naar de boekhoudregels is als het verwijten van de boodschapper van slecht nieuws.
Als het Nederlands pensioenstelsel zo zwak is dat deze voorstellen het zouden bedreigen, dan moet Nederland toch maar eens overwegen of haar systeem niet integraal moet veranderen. Dat kan door de AOW en de bedrijfspensioenen te combineren tot een wettelijk pensioen onder garantie van de staat. Dan is het hele parasitaire leger van pensioenadviseurs, verzekeraars die alleen woekerpolissen aanbieden, vermogenbeheerders (liefst vooral uit verre oorden), zichzelf verrijkende bestuurders, excessieve kosten, etcetera meteen overbodig. Deze mensen kunnen dan gewoon een nuttig beroep gaan uitoefenen. Misschien iets als stratenmaker, dan hoeven ze zelfs niet tot hun 66ste of 67ste door te gaan. Van mensen die leven van de problemen mogen we natuurlijk ook helemaal geen oplossing verwachten.
De macrocijfers over de premies en uitgaven voor AOW en bedrijfspensioenen laten zien dat een wettelijk omslagsysteem direct kan worden ingevoerd. Via de Wfsv komt per jaar 35 miljard euro binnen en aan AOW wordt 26 miljard uitbetaald. Die 9 miljard euro worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor ze waren/zijn betaald, zoals de Algemene Rekenkamer heeft aangetoond. Voor de bedrijfspensioenen komt 25 miljard binnen en wordt 20 miljard uitbetaald. Samen is er dus 14 miljard over. De kapitalen in de pensioenfondsen hoeven dus helemaal niet te worden aangesproken en kunnen dienen als Nationale Pensioen Reserve, ver van alle aasgieren uit binnen- en buitenland. Vakbonden en werkgevers kunnen moeilijk tegen dit voorstel zijn. Op deze manier worden de voordelen van een wettelijk omslagsysteem gecombineerd met een grote financiële reserve.